zondag 21 april 2013

De prehistorie aan de tand gevoeld. De olifant van Hoboken.


De mammoetzaal in het Koninklijk Natuurhistorisch Museum te Brussel, begin 20ste eeuw. Links vooraan de mammoet van Lier, achteraan de olifant van Hoboken
Ik was een jaar of tien, elf, denk ik, en ik was voor het eerst in het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen in de Brusselse Vautierstraat. Als Ali Baba in zijn grot, zo voelde ik mij, te midden van schatten als iguanodons uit Bernissart, walvisskeletten, de enorme collectie zoogdieren (met o.a. een buidelwolf, een blaubok en een Burchells zebra), de Man van Spy en, last but not least, de mammoet van Lier en de dwergolifant – of mogelijk eveneens mammoet – van Hoboken. De in Lier opgegraven mammoet was ronduit indrukwekkend. De andere was wat minder spectaculair en miste bovendien een paar poten, maar sprak niettemin zeer tot mijn prille verbeelding – hij was immers uit de Hobokense grond opgedolven!
Toen ik jaren later – ergens in de jaren 70 – het museum aan het Leopoldpark weer bezocht, was dat een behoorlijke afknapper. Samen met een spitsbroeder dweilde ik zowat alle collecties met levende en fossiele dieren in de Lage Landen en omgeving af en ook Brussel stond op het menu. De verwachtingen waren hooggestemd, maar werden totaal gekelderd. Overheen de iguanodons waren zeilen gespannen, want in hun enorme vitrine regende het binnen. De zaal met de mammoeten zag er vervallen en deerniswekkend uit. Het museum moest dringend onder handen worden genomen, zoveel was duidelijk. Dat gebeurde een poos later ook, en met succes. Het 19de-eeuwse concept werd verlaten en de presentatie werd geactualiseerd. Maar voor de olifant van Hoboken liep het slecht af: hij moest het podium laten aan zijn fortuinlijker, want veel completer, verwant uit Lier en verdween in het depot.
De mammoet van Lier

Nochtans is de Hobokense olifant best interessant, al is zijn skelet hoogst onvolledig. Mogelijk is het zelfs een speciaal geval. Want is het nu een mammoet, of een andersoortig prehistorisch slurfdier? Welke dikhuiden komen in aanmerking? Wat liep er in die ver vervlogen tijden allemaal rond in Hoboken? Daarover zo dadelijk meer.
Maar laat ik eerst beginnen bij het begin, met het verhaal van de vondst van de botten in de Hobokense grond.

In 1862 leefde Hoboken op de rand van een burgeroorlog. Niet alleen Hoboken, overigens: zowat het hele zuidelijke deel van hedendaags Groot-Antwerpen stond in rep en roer.
Op grote schaal waren gronden onteigend, van Merksem tot Hoboken. In een brede band rond de stad werd alles gesloopt en in Wijnegem, Deurne, Borsbeek, Mortsel, Edegem, Wilrijk en Hoboken waren grote graafwerken aan de gang die moesten leiden tot de bouw van acht militaire forten. Het hele project was uitgetekend door Alexis de Brialmont en had tot doel de al van de 16de eeuw daterende Spaanse omwalling rond Antwerpen overbodig te maken. Als die omwalling werd gesloopt, kon de stad eindelijk uitbreiden – een bittere noodzaak, want Antwerpen barstte zowat uit zijn voegen. Het telde meer dan 90.000 inwoners en die hokten allemaal samen tussen de Schelde en de huidige Leien. De vestinggrachten werden gedempt, de wallen en poorten gesloopt en in één beweging werd ook de volkse oude stadskern, waar om de zoveel jaar cholera vele levens eiste, gesaneerd. Dit alles werd mogelijk omdat de Brialmont-kringvesting er kwam. Het Rijk had zich altijd tegen een uitbreiding van Antwerpen verzet, omdat deze stad werd opgevat als het nationale bolwerk dat in tijd van oorlog te allen prijze moest worden gevrijwaard tegen de invaderende vijand. Maar in 1859 stemde baron Pierre Chazal, minister van Oorlog in de liberale regering-Rogier-Frère-Orban, er eindelijk toch mee in. Antwerpen mocht uitbreiden, maar bleef wel réduit national. Daarvoor zouden een nieuwe omwalling en, op grotere afstand van de stad, de Brialmontforten zorgen. De nieuwe omwalling zou vertrekken bij het Noordkasteel en via de Dam, Borgerhout en Berchem naar het Zuidkasteel voeren, over een lengte van 17 km. Voor die nieuwe vestingmuur zou zich een servituutstrook uitstrekken van meer dan een halve kilometer breed, een zone waarin geen enkel permanent gebouw mocht blijven staan. Een paar kilometer verder kwamen dan de acht forten. Het was voor dit alles, dat op grote schaal werd onteigend en gegraven.
In Hoboken zou fort 8 komen. Honderden arbeiders en soldaten, vaak geïmporteerd uit andere delen van het land, leefden in latent conflict met de locale bevolking. Soldaten en burgers gingen regelmatig met elkaar op de vuist. Arbeiders moesten naar hun werkplek worden geëscorteerd door gendarmes. De werken mochten immers geen vertraging oplopen. Hun duur was begroot op vier jaar – spoedig verlengd tot vijf – en de nodige mankracht op 13.000. De kostprijs van de hele onderneming was begroot op  21,6 à 24,8 miljoen frank, een astronomisch bedrag in die dagen.
Olifantenskeletten in het Koninklijk Natuurhistorisch Museum Brussel. Boven links de mammoet van Lier, rechts de olifant van Hoboken. Uit: G. Gilson, Le Musée d'Histoire Naturelle Moderne (1914)

Op een dag stootte men bij het graven op een skelet. Het leek op een olifant, of althans op delen ervan: een schedel, wat ribben, een bekken en één onvolledige achterpoot. Dat men beenderen vond, was niet uitzonderlijk: men kwam tijdens dergelijke werken wel meer fossielen tegen, en omdat men nog met spade en houweel werkte, had men niet alleen een duidelijk beeld van wat allemaal in de bodem zat, maar kon het er ook worden uitgehaald zonder al te veel schade aan de vondsten toe te brengen. Van een wetenschappelijk verantwoorde fouille met respect voor de stratigrafie van de bodem was uiteraard geen sprake. Over het algemeen was de belangstelling voor de vondsten trouwens zeer gering bij de werklui zelf; met de gevonden fossielen zullen ze wel niet al te zachtzinnig hebben omgesprongen. Maar enkele officieren hadden wel interesse. En vanuit de top van het wetenschappelijke establishment van het koninkrijk was een oproep gebeurd om de bodemschatten die bij het graven aan het licht kwamen, te verzamelen en te bewaren. “Profitons des millions qui se dépensent pour la défense nationale!” klonk het niet zonder pathos in december 1861 uit de mond van Pierre-Joseph van Beneden, hoogleraar zoölogie aan de Leuvense universiteit en toen voorzitter van de Belgische Academie voor Wetenschappen. Het waren geen woorden in de wind. Karrenvrachten fossiele beenderen, vooral van walvisachtigen, belandden onder meer in het nog piepjonge (1846) Natuurhistorisch Museum te Brussel. Van wetenschappelijk onderzoek van dit materiaal kwam echter niet veel in huis. De toenmalige staf van het Museum was beperkt. De directeur, burggraaf du Bus de Ghisignies, was een ornitholoog, die zich echter moreel verplicht voelde hier en daar toch aan het determineren te gaan in regionen die niet de zijne waren.
Wanneer de Hobokense olifantenbeenderen precies in Brussel arriveerden en wie ze determineerde, is niet bekend. Du Bus de Ghisignies zelf? De bronnen zijn bijzonder schaars.
In Hendrik Dierickx’ Geschiedenis van Hoboken, is het volgende te lezen:
DE DWERGOLIFANT VAN HOBOKEN  De overblijfselen van dezen olifant werden ontdekt gedurende den bouw van het fort van Hoboken, bij Antwerpen, in 1862. Daar de methodische onderzoeking van onze gronden toen niet georganiseerd was, konden hun afzetting en bijgevolg hun geologische ouderdom niet rechtstreeks bepaald worden.Het onderzoek ervan, en de gegevens hunner ontgraving hebben niettemin laten vaststellen dat het gedeeltelijk geraamte, in 1869 hersteld, van eenzelfde individu is, klaarblijkelijk van een zeer volwassen wijfje. Een opperarmbeen, op dezelfde plaats gevonden, kan wellicht, door zijn kleine afmetingen en zijn verschillen met den Mammoet, geïdentificeerd worden met dezelfde soort van Dwergolifanten, en, tevens door zijn fossilisatie, een tweede individu vertegenwoordigen. – Vandaar het besluit dat deze kleine olifant een goed gekenmerkte vorm is en niet een individueele monstruositeit. – De vergelijking zijner overblijfselen met die van den Mammoet of Elephas primigenius doet zonder aarzelen besluiten tot het bestaan van een onderscheiden soortelijk type.Door zijn niet zeer brede maaltanden, met dikke platen, betrekkelijk weinig in aantal, voorzien van een breeden cementboord en waarvan de emailschijf in het midden gewoonlijk een hoekige uitzetting heeft, door de kenmerken van het onderkaakbeen, door de lichte kromming der slagtanden, is hij in verband met Elephas antiquus. Het eenig te vermelden verschil bestaat in de kleinere breedte van de schijven der maaltanden. Elephas antiquus is de grootste der Olifanten geweest, die zelfs door zijn gestalte alle gekende zoogdieren te boven ging, maar hij is ook nauw verwant met dwergvormen die ten hoogste twee meter bereikten, soms zelfs één meter, aan de schoft. De Olifant van Hoboken valt in deze laatste categorie van Elephas antiquus.De schedel van dit kleine specimen, aldus in 1869 bepaald, werd in 1891voorgesteld en bij wijze van bijzonder ras verbonden met Elephas primigenius onder de naam van Elephas primigenius trogontherii, die zou staan tussen Elephas meridionalis en Elephas primigenius (Dr Pohlig, Dentition und Kranologie des Elephas antiquus). Maar de kenmerken van den Olifant van Hoboken, die alle soortelijke toenadering met den eenen en den anderen dezer Olifanten onmogelijk maken, ontkrachten door het feit deze bepaling, terwijl ze hem duidelijk doen beschouwen als blijvende de vertegenwoordiger van een variëteit van Elephas antiquus in België.
Waar Dierickx deze weinig verhelderende beschrijving haalde, vermeldt hij nergens. Waarschijnlijk gaat het om een zaaltekst uit het Natuurhistorisch Museum; het merkwaardige Nederlands wijst in de richting van een oorspronkelijk Franse tekst, waarschijnlijk vertaald in het Museum zelf. In het archief van het Museum is echter nog bijzonder weinig materiaal aanwezig.
De schaarse documenten die naar het skelet verwijzen, vermelden een oud inventarisnummer – maar de inventaris waaraan wordt gerefereerd, is blijkbaar verloren gegaan. Het skelet is op één van de resterende fiches geregistreerd als een Elephas antiquus Falconer = E. trogontheri. Op een andere fiche, eveneens met vermelding Elephas antiquus, is de opmerking toegevoegd dat “d’après Dollo, cet individu serait un ELEPHAS TROGONTHERI”. Louis Dollo (1857-1931) is in de paleontologische wereld een grote naam: hij stond in voor de reconstructie van de in de mijnen van Bernissart gevonden iguanodons en formuleerde als theoreticus van de evolutieleer de Wet van Dollo, die stelt dat evolutie onomkeerbaar is. Een specialist op het vlak van fossiele olifanten was hij echter niet. De onderzoeker die het skelet als een Elephas antiquus beschouwde, was dat waarschijnlijk evenmin. Wél een specialist was Hans Pohlig, professor te Bonn. Hij verrichtte belangrijk onderzoek naar het leven in de ijstijden en in 1885 beschreef hij als eerste de uitgestorven soort Elephas trogontheri en gaf ze meteen een wetenschappelijke naam (vandaag Mammuthus trogontherii).  Uitgerekend deze Pohlig determineerde het Hobokense geraamte als dat van een mammoet. Wat uiteraard niet betekent dat hij het bij het rechte eind had, maar zijn mening doet zeker ter zake. In het Natuurhistorisch Museum lijkt men overigens vandaag geneigd de mammoetpiste te onderschrijven.
The jury is still out, hoe ook: de olifant van Hoboken werd nooit definitief geïdentificeerd. De morfologische kenmerken van het beest zijn onvoldoende typisch om uitsluitsel te geven. Er zijn geen weke delen bewaard, zodat ook van DNA-onderzoek of eiwitanalyse geen betrouwbaar antwoord moet worden verwacht. Bij het graven werd geen aandacht besteed aan de gelaagdheid van de bodem of aan gidsfossielen – kleine, in een specifieke periode veel voorkomende en gemakkelijk fossiliserende organismen zoals schelpdieren, aan de hand waarvan aardlagen en vondsten kunnen worden gedateerd. Er is ook geen datering met koolstof-14 gebeurd. Datering zou nochtans een belangrijke aanwijzing kunnen geven, want Elephas antiquus leefde, bijvoorbeeld, in een andere tijd dan de mammoet.
Voorlopig blijft het dus gissen. Of misschien zullen we het wel nooit weten.

Kudde mammoeten in het Sommegebied door Charles Knight
© 2013 Clement Caremans

maandag 8 april 2013

De Spaanse en de Grote omwalling


Tien jaar geleden stootte de aannemer bij de heraanleg van de leien her en der op de restanten van de oude stadsomwalling uit de Spaanse periode. Dat de omwalling daar gestaan had, was bekend natuurlijk, maar niemand wist precies of er nog wat van bewaard was. Ja dus, en heel wat, bleek gauw. 


Keizersbastion (foto BELGA)
De Spaanse omwalling

De stadsmuur werd gebouwd vanaf 1542 onder keizer Karel V op vraag en op kosten van de stad na de raids van Maarten van Rossum. Antwerpen was immers uitgegroeid tot een belangrijke handelsmetropool en was met 100.000 inwoners de tweede grootste stad van Europa. 

De monumentale versterking, ontworpen door Donatio Boni Di Pellizuoli , telde negen bastions (vijfhoekige uitsprongen), acht fronten (rechte stukken muur) en vijf poorten met bruggen over de gracht en een contrescarpmuur (gemetselde grachtboord aan de veldzijde).
De kosten liepen hoog op en algauw keek de stad aan tegen een enorme schuldenberg. De oprichting van de Fortificatiekas in 1546 bracht meer financiële controle. 
De omwalling werd in delen uitbesteed aan fortificatiemeesters die hierbij moesten zweren voordeel voor de stad na te streven en schade te vermijden. In het bijzonder moesten zij erop toezien dat de werken aan de gunstigste prijs ten voordele van de stad werden uitgevoerd. A-waarden in de 16de-eeuw.
In 1553 waren de werken voltooid. De Antwerpenaar was trots op zijn omwalling die zijn stad, 't Stad dus van het omliggende platteland duidelijk onderscheidde en een echte 'sinjoor' van hem maakte.

De Spaanse omwalling sloot zowel aan de noord- als aan de zuidkant van de stad aan op de Schelde. Aan de noordzijde lag het bastion Kattenberg, in het zuiden het bastion aan de Kronenburgtoren. 
De bouw van een volledig nieuwe moderne omwalling was enig in die tijd. De Italiaanse koopman en geschiedschrijver Lodovico Guicciardini verklaarde dat Antwerpen zeker de sterkste stad van Europa was.
Alva
Citadel

Later, tijdens het bewind van Filips II toen de hertog van Alva te lande de plak zwaaide, werd ten zuiden van de omwalling de citadel gebouwd(1567-1571). De vijfhoekige dwangburcht met zijden van 300 m, bood plaats aan 2000 soldaten. Op elke hoek bevond zich een sterk vooruitspringend bastion voorzien van twee bomvrije ruimten, kazematten genoemd. De citadel moest niet zozeer de stad beschermen, dan wel ze onder de knoet houden. De kanonnen stonden immers op de stad gericht. 
Alva wilde het kasteel integreren in de stadsomwalling en daarom liet hij de muren en het bastion gelegen tussen de Keizerspoort en de Kronenburgpoort slopen en vanaf de Keizerspoort werd een nieuwe verbinding gebouwd.
De nieuwe omwalling lag een flink stuk zuidelijker dan de vorige, zodat de stad haar grondgebied met zowat 60 ha. zag uitbreiden. Nieuwe wijken kwamen er niet, want de esplanade van het kasteel die zowat 50 ha. groot was, mocht niet bebouwd worden. 
In 1608 liet burgemeester Nicolaas Rockox aan de voormalige Sint Michielsabdij een nieuw bastion optrekken. Dit bleef lange tijd een belangrijk verdedigingspunt.

Met de inname van de stad door Farnese kwam een einde aan de economische voorspoed. De volgende drie eeuwen veranderde er vrijwel niets aan het stedelijk landschap.
De versterking werd in de volgende eeuwen wel uitgebreid met voorwerken en grachten, wat o.m. duidelijk te zien is op de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden uit 1777, beter bekend als de Ferrariskaart.

De Grote Omwalling

Door de wederopbloei van Antwerpen waren de Spaanse vesten een belemmering geworden voor de uitbreiding van stad en haven. De stad barstte gewoon uit haar muren. Ze was dan ook zelf vragende partij om de wallen te slopen en een nieuwe stadsmuur te plaatsen. 
Toen Antwerpen in het midden van de 19de eeuw Nationaal Reduit werd, zeg maar het laatste toevluchtsoord van leger en leiding in geval van vijandelijke bezetting, werd die eis nog krachtiger.
Het verdedigingsplan van Henri Alexis Brialmont dat in 1859 voor uitvoering werd goedgekeurd, voorzag de bouw van een nieuwe stadsmuur met daarbij acht vooruitgeschoven forten op grotere afstand van de stad.

De nieuwe stadsomwalling had een lengte van 15 km en bestond uit 12 fronten en monumentale stadspoorten. In het zuiden sloot ze aan op de grachten van de 16de-eeuwse citadel. Ze maakte een grote boog rond de stad, ongeveer op de lijn van de huidige ring. Aan de noordkant van de stad werd het Noordkasteel gebouwd, waardoor ook de nieuwe havenuitbreidingen ingesloten werden. Het had twee inundatiesluizen op het Vosseschijn en de Schijn om bij vijandelijkheden  de afwatering naar de Schelde te blokkeren en het noord onder water te zetten. 
De zeer snel groeiende centra van Borgerhout en Berchem moesten mee in de nieuwe stadsomwalling gesloten worden. Zij werden zo gescheiden van hun respectievelijke gronden en er ontstond een intra en een extra muros gedeelte. Om de kerk van Berchem binnen de muren te houden, moest een rechte hoek in zuidoostelijke richting gemaakt worden, wat voor de bouw van fort 4 in Mortsel gevolgen had. Dat fort ligt daardoor dichter bij de stadsmuur dan de andere forten.

Het Zuidkasteel bleef tot grote ergernis van de Antwerpenaar nog behouden. In de jaren 1851-1854 waren er immers nog dure werken aan uitgevoerd. Maar de Antwerpenaar herinnerde zich vooral hoe zijn stad vanuit de citadel was beschoten door de Nederlander Chassé en de zijnen in 1830. 
Door de Grote Omwalling verzesvoudigde de omwalde oppervlakte van de stad van 242 naar 1650 ha.
Jozef Cornelis Van Put

De Spaanse vesten, die alle militair belang hadden verloren, werden voor 10 miljoen Belgische frank opnieuw eigendom van de stad. De afbraak van de muren en de prachtige Renaissancepoorten zou jaren aanslepen.  Op de plaats van de verdwenen stadsomwalling liet burgemeester Van Put een 'boulevard' aanleggen, waarop de sinjoor naar hartenlust kon flaneren.
Enkel de bovengrondse delen van de wal werden afgebroken. Wat onder de grond zat, bleef daar bewaard. Getuige daarvan het Keizersbastion nabij de Nationale Bank, waarvan de heropgebouwde restanten onlangs officieel voor het publiek werden opengesteld. Maar ook de Kipdorpbrug, inclusief de gewelven, is onder de leien behouden gebleven. 

De grote omwalling kende een kortstondiger bestaan dan haar voorganger. Na nauwelijks honderd jaar verdween ze voor de aanleg van de ring. 


Vera Caremans © 2013


maandag 4 maart 2013

De Restauratie. Het Congres van Wenen.


De Brialmontforten rond Antwerpen werden gebouwd tussen 1859 en 1865. Om een goed begrip te krijgen van de ontstaansgeschiedenis van dit verdedigingssysteem van België, moeten wij ons verhaal veel vroeger beginnen, nog voor er van een onafhankelijk België sprake was.  
We hadden het al eerder over de Belgische onafhankelijkheid. In deze bijdrage gaan we nog enkele jaren verder terug in de tijd. 

Het Congres van Wenen

Na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig en zijn verbanning naar Elba riep de Oostenrijkse prins Metternich een congres bijeen te Wenen dat moest zorgen voor een nieuwe Europese orde. Grote delen van Europa waren na 1792 geannexeerd bij Frankrijk of stonden onder Franse invloed omdat Napoleon er een familielid op de troon had gezet.

De gesprekken startten op 8 september 1814. De belangrijkste deelnemende landen waren Groot-Brittannië, Pruisen, Rusland en Oostenrijk, maar ook Frankrijk.  De inrichters vonden dit noodzakelijk om de stabiliteit in Europa voor de toekomst te waarborgen.

Bedoeling van het Congres

Het Congres wou in de meeste landen de vorstelijke macht restaureren en het door Frankrijk verstoorde machtsevenwicht herstellen. De grens van Frankrijk werd teruggedrongen tot de grens van 1792. Verdwenen staten werden opnieuw opgericht. Zo o.m. de Pauselijke Staten. Vroegere machthebbers kregen hun troon terug volgens het legitimiteitprincipe: de voormalige verdreven vorsten, werden gerehabiliteerd als legitieme heersers. De Bourbons namen de tronen van Frankrijk en Spanje weer in, het Huis Bragança kwam  in Portugal aan de macht en de Oranje-Nassaus werden aangesteld  over Nederland, hoewel zij daar voorheen nooit een vorstelijke positie hadden bekleed. Het Heilig Roomse Rijk was de grote uitzondering. Dat hield definitief op te bestaan. 
Van vernieuwing was geen sprake. Van zodra ze opnieuw aan de macht waren, wilden de vroegere heersers de ideeën van de Franse Revolutie over boord gooien en terugkeren naar het Ancien Regime.
Uiteraard botste dit met het principe van de volkssoevereiniteit uit de Verlichting en de Franse Revolutie.
Op administratief vlak bleef wel één en ander overeind.  Het kadaster en Rekenhof bleven bestaan evenals het  Burgerlijk wetboek, de zogeheten Code Napoleon. Ook de bestuurlijke indeling in provincies, arrondissementen, kantons en gemeenten bleef behouden.

Het machtsevenwicht in Europa moest hersteld worden. De grenzen van Europa werden opnieuw getekend. Dat ging gepaard met heel wat problemen. Staten, die onder Napoleons heerschappij een gebiedsuitbreiding hadden bekomen, waren er tegen dat hun bezittingen zouden afgenomen worden. Tegelijk drongen de landen die door Napoleon gebiedsverlies hadden geleden erop aan dat ze hun gebieden zouden terugkrijgen.
De strijd ging vooral over Polen, waar Rusland een oog had op laten vallen en over de Pruisische aanspraak op Saksen.

De onderhandelingen schoten niet op. Het congres dreigde uiteen te vallen en nu en dan dreigden gewapende conflicten.


Om te verhinderen dat Frankrijk opnieuw een expansieoorlog zou beginnen, werd het land omringd door redelijk sterke autonome bufferstaten. Daartoe werd uiteindelijk ook het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden gesticht door samenvoeging van de noordelijke zeven provinciën met delen van de vroegere Habsburgse Zuidelijke Nederlanden. Om dit gebied te verdedigen werden de vroegere barrièresteden in ere hersteld.





Hoe de buitenwereld het congres zag. Van links naar rechts:  Talleyrand (Frankrijk), Castlereagh (Groot-Brittannië), 
Frans I (Oostenrijk), Alexander (Rusland), Frederik Willem III (Pruisen), Frederik August  (Saksen), de republiek Genua

Het congres loopt niet, het danst
De gezanten met hun entourage van raadgevers en bedienden vormden een bont gezelschap van enkele duizenden personen, waarbij de Oostenrijkers erop toezagen dat hun hoge gasten niets tekort kwamen tijdens hun verblijf in Wenen. De vele bals en partijen ontlokten Charles-Joseph van Ligne de opmerking: “Het Congres loopt niet, het danst!"

Vele waarnemers van het Congres beklaagden zich over het heersende immobilisme. Velen kwamen ook onder de indruk van de tentoongespreide pracht en grandeur. De algemene secretaris Friedrich von Gentz beschreef dit gebeuren zeer beeldend in een brief van 27 september 1814 maar beklaagde er zich ook over dat er weinig vooruitgang geboekt werd:

"De stad Wenen biedt tegenwoordig een verrassende aanblik: alles wat Europa aan hoogstaande personen te bieden heeft, is hier op uitstekende wijze vertegenwoordigd. De keizer, de keizerin, en de grootvorstinnen van Rusland, de koning van Pruisen en meerdere prinsen van zijn hof, de koning van Denemarken, de koning en de kroonprins van Beieren, de koning en de kroonprins van Württemberg, de hertog en de prinsen van de vorstenhuizen van Mecklenburg, Saksen-Weimar, Saksen-Coburg, Hessen,… de helft van de voormalige rijksvorsten en rijksgraven en uiteindelijk het enorme aantal gemachtigden over grote en kleine Europese mogendheden – dit alles veroorzaakt een beweging en zo’n verscheidenheid aan taferelen en interesses, dat alleen dit buitengewoon tijdperk, waarin wij leven, iets dergelijks kon voortbrengen. De politieke aangelegenheden, die de achtergrond van dit tafereel vormen, hebben daarentegen nog geen echte vooruitgang gebracht.”

“Die Stadt Wien bietet gegenwärtig einen überraschenden Anblick dar; alles was Europa an erlauchten Persönlichkeiten umfasst ist hier in hervorragender Weise vertreten. Der Kaiser, die Kaiserin und die Großfürstinnen von Rußland, der König von Preußen und mehrere Prinzen seines Hauses, der König von Dänemark, der König und der Kronprinz von Bayern, der König und der Kronprinz von Württemberg, der Herzog und die Prinzen der Fürstenhäuser von Mecklenburg, Sachsen-Weimar, Sachsen-Coburg, Hessen usw., die Hälfte der früheren Reichsfürsten und Reichsgrafen, endlich die Unzahl von Bevollmächtigten der großen und kleinen Mächte von Europa - dies alles erzeugt eine Bewegung und eine solche Verschiedenheit von Bildern und Interessen, dass nur die außerordentliche Epoche, in der wir leben, etwas Ähnliches hervorbringen konnte. Die politischen Angelegenheiten, welche den Hintergrund dieses Bildes sind, haben indessen noch keinen wirklichen Fortschritt gebracht."


Von Gentz (1764-1832) was tijdens het congres een raadgever van de Oostenrijker Metternich. 

Cent-Jours
Het congres was nog volop aan de gang toen op 26 februari 1815  Napoleon Elba ontvluchtte. Op 1 maart arriveerde hij met een legertje van 800 man in de Franse havenstad Cannes. Snel trok hij met zijn persoonlijke garde op naar het noorden, richting Parijs. Op 20 maart zetelde hij weer in zijn keizerlijk paleis.
Na de verbanning van Napoleon naar het eiland Elba hadden de geallieerden hun legers teruggetrokken naar de zuidelijke Nederlanden. Daar maakten Wellington, Blücher en de Prins van Oranje zich nu op voor een nieuwe confrontatie en rukten op richting Frankrijk. Napoleon wilde zijn vroegere keizerrijk heroveren, en wel zo snel mogelijk. Hij mobiliseerde in twee maanden tijd een leger van 200.000 manschappen en trok met 120.000 daarvan naar de Frans-Belgische grens. Op 14 juni stak hij die over. De slag bij Waterloo op 18 juni 1815 betekende definitief het einde van Napoleon. Hij werd opnieuw opgepakt en verbannen naar het Britse eiland Sint –Helena in de Atlantische Oceaan. Daar overleed hij in 1821.

Gedwongen samenwerking tussen de Europese vorsten
Aan de uitkomst van het Congres veranderde er niets. Na Waterloo begon men met de uitvoering van de congresbesluiten.
Geen enkel land mocht een agressieve buitenlandse politiek voeren of zware politieke veranderingen op binnenlands vlak doorvoeren.
Bij het hertekenen van de grenzen hield men geen rekening met de rechten van de volkeren.  Maar de ideeën van volkssoevereiniteit, scheiding van de machten en mensenrechten waren wel degelijk doorgedrongen bij heel wat burgers. Die wilden dan ook inspraak of een eigen staat. Er ontstonden nieuwe revolutionaire stromingen: liberalisme en nationalisme.
Deze dreigingen dwongen de Europese machthebbers tot afspraken en samenwerking.
Vier grootmachten vormden daarom de Heilige Alliantie: Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk en Pruisen. In 1818 sloot Frankrijk zich aan bij dit verbond dat men vanaf dan de Grote Alliantie noemde. Omwille van de voelbare revolutionaire sfeer verschoof het accent naar het bedwingen van eventuele opstanden.

Ondanks de Grote Alliantie werd Frankrijk haast de gehele 19de eeuw beschouwd als de te duchten vijand. Zowel het verdedigingssysteem dat in 1815 in de Nederlanden werd toegepast, als de plannen die volgden na 1830, waren op een mogelijke aanval vanuit Frankrijk berekend.  Tot het midden van de 19de eeuw bleef het enkel bij plannen. Toen kwam Brialmont en werden de plannen ook effectief uitgevoerd. Het duurde echter niet lang voor men merkte dat de oosterbuur van België wel eens voor problemen zou kunnen zorgen.


Bibliografie
DENECKERE, G. Leopold I. De eerste koning van Europa. Antwerpen, 2011.
FALTER, R. België. Een geschiedenis zonder land. Antwerpen, 2012.
WITTE, E., J.-P. NANDRIN, E. GUBIN en G. DENECKERE, Nieuwe geschiedenis van België, deel I: 1830 – 1905. Tielt, 2005.
ZAMOYSKI, Adam – De ondergang van Napoleon en het Congres van Wenen.
(Oorspronkelijke titel: Rites of Peace. The Fall of Napoleon & The Congress of Vienna. Uitgegeven door Harper Press, UK, 2007), 4de druk, Amsterdam, 2011.


Vera Caremans
© 2013 

vrijdag 18 januari 2013

STOP DE TIJD! De prehistorie aan de tand gevoeld ... de mammoet komt... (hopen we toch...)




Erfgoeddag in Hoboken

Op 21 april is het weer zover: Erfgoeddag. Dan halen erfgoedverenigingen, musea enz. alles uit de kast om u te laten kennismaken met een stukje roerend en vaak ontroerend erfgoed, zeg maar een restantje uit het verleden dat slechts weinig bekend is en de moeite waard is om te (her)ontdekken. Vorig jaar zochten we lokale helden op kerkhof en begraafplaats. Ook dit jaar steken we de spade in de grond. Maar( we graven dieper, we gaan veel verder terug in de tijd. 
We schrijven 1862. Hoboken leeft op de rand van een burgeroorlog. De graafwerken voor fort 8 zijn volop bezig. Soldaten en burgers gaan regelmatig met elkaar op de vuist. Gendarmes escorteren arbeiders naar hun werkplek.  
Op een dag staan zij oog in oog met een wel héél oude bewoner van Hoboken: het lijkt wel een olifant. Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen wordt gecontacteerd. Misschien gaat het wel om een toendramammoet, zo'n roodharig slurfdier dat tijdens de ijstijden in onze diepgevroren contreien rondwaggelde!

Of is het een andere soort voorhistorische olifant? Het is een klein exemplaar, zoveel is duidelijk. Een vrouwtje? Een kalfje? Een dwergsoort? Een combinatie van al het vorige? 

Omdat elk oponthoud tijdens de graafwerken er één te veel is, komt er van een wetenschappelijk verantwoorde fouille niet veel in huis. Er wordt maar een stukje olifantenskelet uit de bodem gehaald - een schedel, wat ribben, een bekken en één onvolledige achterpoot. Daar moeten de onderzoekers in Brussel het mee doen. Resultaat: tot vandaag weten we niet precies wat de noeste gravers in de Hobokense bodem vonden: een Mammuthus trogontherii (steppenmammoet), een Mammuthus antiquus (Europese woudolifant, d.w.z. een Europese variëteit van de vorige), of toch een Mammuthus primigenius (toendramammoet)? Als we willen weten hoe de mammoet of olifant er uitzag en hoe zijn woonstede Hoboken er toen bij lag, moeten we het beestje exact kunnen determineren. Dat kan aan de hand van de emailplooien op de kiezen en met een DNA-analyse, maar blijkbaar werd daar nooit werk van gemaakt. We tasten dus voorlopig wat in het duister: leefde het dier voor de laatste ijstijd in een soort parkachtig savannelandschap of op het hoogtepunt van de laatste ijsperiode - tijdens het glaciale maximum - in de grasrijke toendrasteppe? In het eerste geval leek de Hobokense olifant waarschijnlijk heel erg op Kai Mook en zijn familie, in het tweede had hij een dikke rosse vacht en merkwaardig kleine oortjes, allebei aanpassingen aan de extreme temperaturen van zijn leefgebied.  


Wat  we wel weten: als het even kan toont Hoboken vanaf Erfgoeddag gedurende een hele maand zijn olifant. 
De Hobokenaren zullen de olifant zien. De olifant zien of seeing the elephant betekent in de Verenigde Staten: overdonderd zijn.

WIJ hebben als kind de olifant gezien... en wij waren overdonderd. Dat gevoel willen we graag met elke Hobokenaar delen.

Clement en Vera Caremans




Aan het mammoetproject is nog een resem activiteiten verbonden. Je verneemt er alles over via de media. Houd zeker ook onze blog in de gaten.

De volgende Nieuwsblog verschijnt half februari. 






HOBOKEN WIL ZIJN OLIFANT ZIEN !


De gidsenwerking is een werkgroep binnen de erfgoedvereniging 
Het GenOOtschap-stuwgroep vOOr cultuur.
Volg de Gidsenwerking Fort 8 Hoboken (Gé-èF 8) op Facebook




zondag 9 december 2012

Even gaat de poort dicht...


Maar vanaf half januari staan we opnieuw paraat voor groepen, en vanaf mei starten de vrije wandelingen opnieuw. 
We houden u op de hoogte. In 2012 bezochten 545 mensen het fort met een gids van onze gidsenwerking. We telden 6 vrije wandelingen (die van september moest worden afgelast) en 7 groepen. Daarnaast was er de fortengordel. Op de vrije wandelingen telden we 164 deelnemers, Dat betekent een gemiddelde opkomst van 27 personen. Tijdens de fortengordel namen we om en bij de 200 bezoekers op sleeptouw. De 7 groepen waren goed voor gemiddeld 25 à 26 bezoekers. De fortgidsen zijn hiermee zeker tevreden, maar het kan beter. 


Voor 2013 staat de ontwikkeling van het educatief belevingsspel voor kinderen op het programma. Hiermee willen we ook een jong publiek warm maken voor deze fascinerende plek. We hebben ook een project voor erfgoeddag in situ klaarstaan en uiteraard is er de vijfde editie van de fortengordel die door de sportdienst van de provincie wordt georganiseerd.

Per seizoen plannen we ook minstens één natuurwandeling rond het fort. Op 'hoogdagen' als erfgoeddag en fortengordel gaan we proberen zowel historische als natuurwandelingen aan te bieden. 

De gidsenwerking ijvert ook voor informatieborden bij de verschillende fortgebouwen en - plaatsen. Wij steken ons licht op bij alle mogelijke instanties om een duurzame en mooie en vooral duidelijke signalisatie te realiseren. 

2013 is het aanloopjaar naar de vier jaar durende herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Stilaan worden er plannen gemaakt, mensen gecontacteerd, materiaal verzameld. Uiteraard houden wij u langs deze weg op de hoogte.

De olifant komt....

Maar 2013 wordt (hopelijk) het jaar van de mammoet van Hoboken, van de Elephas antiquus (of was het toch een mammuthus primigenius), die in 1862 bij de graafwerken voor fort 8 aan het oppervlak kwam. De restanten bevinden zich in het Natuurhistorisch Museum te Brussel. Wij zijn ervan overtuigd dat slechts weinig Hobokenaren op de hoogte zijn van deze vondst, laat staan dat ze de reconstructie van het skelet ooit hebben gezien. Daarom willen wij dit specimen rond erfgoeddag (21 april) voor enige tijd naar Hoboken halen. Er wordt nog een resem andere projecten aan verbonden, zodat de komst van de prehistorische "olifant" niet onopgemerkt zal blijven. 


Rechts boven het Hobokense exemplaar (nr. 8)

Als wij de mammoet in bruikleen kunnen nemen, zal hij alleszins niet op het fort kunnen opgesteld worden. Daar zijn de condities verre van museaal. Er zal dus meer dan een beetje creativiteit uit de kast  moeten gehaald worden om hem ook in situ te laten verschijnen. Wij geloven erin. 


De gidsenwerking is een werkgroep binnen de erfgoedvereniging 
Het GenOOtschap-stuwgroep vOOr cultuur.
Volg de Gidsenwerking Fort 8 Hoboken (Gé-èF 8) op Facebook




vrijdag 16 november 2012

Kwam de gletsjerman Ötzi uit Hoboken?





Kwam de gletsjerman Ötzi uit Hoboken?

We gaan het hier even hebben over fungi.  Niet zozeer over pizza funghi, de met champignons bestrooide lekkernij uit Pizzahut. Hoewel.
Fungi is immers de Latijnse verzamelnaam voor alles wat we kennen als schimmels, paddenstoelen en zwammen. De Fungi vormen een rijk apart, net zoals het dieren- en plantenrijk. Ze zijn geen dieren, maar behoren ook niet tot het plantenrijk omdat ze geen gebruik maken van de fotosynthese en dus geen zonlicht nodig hebben om te groeien.  Hierdoor kunnen ze ondergronds leven, in muren en grotten maar ook in levende en dode organismen.

Schimmels bestaan meestal uit ondergrondse draden die we maar herkennen wanneer hun zaadvruchten als paddenstoelen of zwammen uit de grond schieten. Sommige van deze zwammen zijn zo klein dat  ze enkel met een sterke microscoop waarneembaar zijn. Andere worden dan weer ontzettend groot en oud. Zo staat er volgens Wikipedia in Engadin (Zwitserland) een schimmel van ongeveer 1000 jaar oud die met zijn schimmeldraden 800 bij 500 meter bestrijkt. Dit zou echter niet de grootste zijn: die eer valt een honingzwam in de Amerikaanse staat Oregon te beurt, die naar schatting 2400 jaar oud is en een omvang heeft van 890 hectare. Het grootste organisme op aarde is dus een zwam.

Nu heb je waarschijnlijk al opgemerkt dat er deze herfstmaanden heel veel paddenstoelen de kop opsteken. Schimmels hebben een voorliefde voor dode materie en de vallende rottende bladeren vormen een prima bedje om de zaadvruchten van de schimmels, de paddenstoelen dus, hun werk te laten doen. 
Op fort 8 vind je momenteel op de grond heel veel eekhoorntjesbrood en andere boleten, honing- en vliegenzwammen. Aan de bomen hangen dan weer de berkenzwam (Piptoporus betulinus) en tondelzwam (Fomes fomentarius). Vaak zegt de aanwezigheid van die  schimmels veel over de inwendige toestand van een boom.  Klim daarom nooit in een berkenboom gesierd met een berkenzwam, zijn stabiliteit is echt niet meer zo evident.

Voorts zijn schimmels goede indicatoren voor de natuurwaarden van de aanwezige biotoop. Onder andere door het vegetatiebeheer met grote grazers (konikpaarden en gallowayrunderen) zijn bepaalde mestzwammen in de Hobokense polder teruggekeerd, wat dan weer bevorderlijk is voor de biodiversiteit.

De veel op beukenbomen voorkomende tondelzwam of tonderzwam werd reeds door onze verre voorouders gebruikt om vuur te maken. De gedroogde zwamvlok werd hiervoor in een tondeldoos bewaard om gebruik makend van vuursteen of wrijfboog een beginnend gloeiend vuurtje te stoken. In het Duits heet deze tonderzwam trouwens ein Zundel, en als een Duitser het licht of vuur aansteekt zegt hij: das Licht oder Feuer anzünden. 
De op een hoef lijkende tondelzwam vinden we nog veel terug in onze naar de aanwezigheid van hoge beuken streek. Nu had de op de grens van Italië en Oostenrijk gevonden gletsjerman Ötzi, die meer dan 5000 jaar geleden de vriesdood vond in de Alpen, zo een tondelkoker bij zich.  Kwam hij misschien uit Hoboken? Ook had hij een uit een boom gedraaide boog bij zich.  Een draaiboom ?

Eric Servais



Masterplan Fort 8




Op 27 oktober had er een inspraakvergadering plaats over het masterplan voor Fort 8. De bijeenkomst was vooral gericht op de omwonenden. De verenigingen die een lokaal hebben in het fort hadden een dag of wat eerder hun zegje mogen doen. Om één of andere reden was de Gidsenwerking Fort 8 niet uitgenodigd voor de verenigingenvergadering, zodat wij dan maar naar het inspraakmoment voor de buurtbewoners trokken. 

Een beetje pijnlijk is het dan te horen dat het merendeel van de aanwezige vertegenwoordigers van de stad die sinds de fusie (1983!) eigenaar is van het fort, zich nog nooit de moeite had getroost fort 8 te bezoeken. Het plan werd bovendien voorgesteld door de nieuwe verantwoordelijke voor het project, en niet door de opsteller van de tekst, wat af en toe leidde tot vergissingen. Waarom stel je zoiets dan niet gewoon uit, denk ik dan. Behoorlijk wat omwonenden zijn inmiddels op stang gejaagd, willen petities starten en waarvoor? Het gaat uiteindelijk nog maar om ideeën, om richtlijnen. En geld om het uit te voeren, is er niet, wordt in de - bomvrije - (wandel)gangen gefluisterd.

Doel van het masterplan is inhoudelijke input geven aan een RUP (Ruimtelijk uitvoeringsplan). Het vertrekt van drie functies:  een socioculturele functie, een park- en een sportfunctie.



1. Cultuurcluster

Het eigenlijke fort vormt de socioculturele zone. De huidige invulling (verenigingen) van de caponnières en het hoofdfrontgebouw moet bewaard blijven. In het reduit wordt door de Scheld'apen een jeugdculturele zone ontwikkeld.



Hoofdingang Fort 8 (Foto NdS2012)

Het historisch fort  moet opgewaardeerd worden. Het aanbod in de culturele- recreatieve cluster moet omhoog. Er moet werk gemaakt worden van de inpassing van de cultuur-recreatieve cluster in het stedelijk netwerk.
Om het historisch fort 'leesbaar' te maken, wordt het glacis (laadplatform) ontruimd en de loods afgebroken.  Of het glacis ook gedeeltelijk wordt hersteld is ons niet duidelijk.
Vooraan het fort zou de groendienst verdwijnen en ook die loodsen worden afgebroken, zodat opnieuw de hoofdingang kan gebruikt worden.  Houdt  dit de restauratie in van de wachtlokalen en de bomvrije gang naar het reduit ?  Zeer de vraag.  
De 'sportschuur', naar onze menig ook een lelijk ding,  blijft behouden.




Wachtlokaal (Foto VC2012)

2. Parkcluster
Amerikaanse vogelkers (Foto VC2012)
Eenstijlige meidoorn (Foto VC2012)


In de voorbereidende fase werd een inventaris gemaakt van de aanwezige planten. Er komen verschillende rode lijst-soorten voor op fort 8.  De bosvegetatie is er vrij jong. Dat is logisch, want tot na WO I kwamen er geen bomen voor, behalve in de strategische bosjes. Die dateren van de tijd van de bouw van het forrt, maar zijn in Hoboken verdwenen.  De begroeiing bestaat voornamelijk uit zomereik en éénstijlige meidoorn. Sneeuwbes en Amerikaanse vogelkers zijn de meest prominente exoten en moeten zoveel mogelijk teruggedrongen worden ten voordele van inheemse bomen en heesters. De platanen die de bedekte weg afboorden, moeten behouden blijven. Voor de daken wordt gepleit voor een hakhoutbeheer. Het is niet geheel duidelijk welke daken worden bedoeld: hoofdfront, caponnières, reduit, contrescarp?  Verder moet een veiligheidskap gebeuren en moeten open plekken gecreëerd worden. Kortom er is bosbeheer nodig.




Volgt een pleidooi voor meer wandelpaden. Wanneer ik vraag de oude (soldaten)paden opnieuw vrij worden gemaakt, blijkt weer eens dat dit inspraakmoment onvoldoende werd voorbereid.  Ik probeer nog een keer: iedereen kent de weg aan de buitenkant van de gracht, die met de platanen, maar ook aan de binnenkant was er een pad waar de soldaten wacht liepen. Die is weliswaar op sommige plaatsen overwoekerd, maar is nog goed leesbaar.  Het aanleggen van nieuwe paden en het vrij maken van bestaande wegen zal zeker impact  hebben op de flora en fauna, maar de historische paden zijn zeker te verantwoorden. Antwoord: er is helemaal nog niet nagedacht over hoe de paden er gaan uitzien. Vreemd, er stond in het voorontwerp van het masterplan zelfs een plannetje van de gewenste padenstructuur. Bon.  Overigens blijkt uit de discussie die volgt, dat huidige recreatieve gebruikers van het fort niet onmiddellijk de meerwaarde van extra wandelpaden inzien.
Nog een suggestie van de gidsenwerking: maak de gracht volledig rond. Dat hoeft niet noodzakelijk over de volle breedte. Zo komt er natuurlijke stroming en dat brengt zuurstof in het water. De vissen zullen dit zeer waarderen. Geen reactie.


3. Sportcluster
Net als huizen in de Schansstraat, is de aanwezige sportinfrastructuur in parkgebied zonevreemd. Een en ander moet dus geregulariseerd worden. 
Voor de buurt betekent het uitbreiden en reorganiseren van de sportcluster vooral overlast. Nu al stelt zich tijdens de wedstrijden van de sportteams het probleem van parkeeroverlast en sluipverkeer, voornamelijk dan in de buurt van de Verenigde Natieslaan en de Den Haaglaan. Het voorgestelde  parkeerbeleid wordt dan weer vooral als nefast ervaren voor de bewoners van de Schansstraat. Daar wordt een parking voor 200 wagens voorzien. Op het terrein van het fort worden alle wagens geweerd.
De noodzaak van de aanleg van extra sportterreinen (voetbalvelden), wordt door de buurt in vraag gesteld. Misschien moet er eens nagedacht worden over het delen van de terreinen en de infrastructuur.
De opmerkingen van de aanwezigen werden vlijtig genoteerd. In welke mate er rekening mee wordt gehouden? Dat valt af te wachten.  Er staat immers zowel op stedelijk als op lokaal vlak een bestuurswissel voor de deur.
De gidsen volgen de zaak met argusogen. In de volgende edities komen we er zeker op terug.

Vera Caremans  



Hoofdingang (foto NdS)